China 2010 versus 1970 (1) Waarom onze HADIMAO-serie in HUMO van 1971 heropdiepen? Wie is er nog boer in China?

HUMO-cover over onze reis in 1970

Onder de titel China herbezocht na 40 jaar: gigantisch veranderd maar toch nog rood? maakte ik een artikel over een groepsreis van de Vereniging België-China (VBC) waaraan ik in juli deelnam. Het land is voor wie er, zoals ik, 40 en 31 jaar geleden was, bijna niet meer te herkennen. Vooral de economische en urbanistische ontwikkeling is duizelingwekkend. Toch meende ik nog heel wat ideologische en politieke herkenningspunten te zien. Zelfs meer dan ik verwacht had. De eerste aflevering van een reisverslag in negen delen. Je krijgt de foto’s groter en scherper door er op te klikken.

In het woelige academiejaar 1968-69 studeerde ik in Leuven af als arts en was ik ook voorzitter van het Faculteitenconvent, de koepel van faculteitskringen (het huidige LOKO). Acties en debatten transformeerden mij, in enkele maanden, van een progressieve reformistische studentenleider tot een medestander van de zich toen sterk ontwikkelende jonge marxistische beweging waaruit een jaar later AMADA zou ontstaan. (1) In die kringen groeide al snel een felle interesse voor het China van Mao waar toen de Culturele Revolutie aan de gang was. De oproep ‘Dien het Volk’ van Mao Zedong, en de ideeën die hij daarover in het gelijknamige artikel ontwikkelde, hielpen om mijn leven een wending te geven. Ik besliste om de opleiding tot specialist die ik had aangevat na het eerste jaar af te breken. Begin 1971 zou ik in Hoboken (Antwerpen) starten met de eerste huisartsengroepspraktijk Geneeskunde voor het Volk. (2) Tussen augustus en december 1970 voorzagen we vier maanden om de zaak op te starten. Een paar mensen van de in die tijd vrij sterk gepolitiseerde Vereniging België-China (VBC) stelden me voor om, in die ‘vrije’ maanden, ook deel te nemen aan een reis in China. Zij hoopten dat dit onze militante plannen een extra boost kon geven. Dat was niet slecht bekeken.

Tien Belgen voor het geboortehuis van Mao in 1970, enkele Chinese gidsen mét Het Rode Boekje. Kris Merckx 5de van rechts op de tweede rij.

‘Hadimao’ in Humo (1971)

Een cover van Evert Vermeulen als start van het verslag over onze Chinareis van 1970

Zo reisde ik samen met tien andere Belgen, bijna allen ‘maoïstische sympathisanten’, in oktober 1970 vier weken door de Chinese Volksrepubliek. We bezochten de hoofdstad Beijing en andere grote steden – de havenstad Tianjin, Wuhan, Changcha, Shanghai en Canton nu Guangzhou – en ook heel wat communes op het platteland. Een passage in het geboortehuis van Mao in Shaoshan – in die tijd een politieke bedevaartplaats – ontbrak natuurlijk niet op het programma.
Hoewel de meest turbulente periodes toen al achter de rug waren, was de in 1966 gestarte Culturele Revolutie nog stevig aan de gang. China was in al die jaren fel afgesloten geweest van de buitenwereld. Wij waren toen de eerste of de tweede groep Belgen die het land opnieuw gedurende een langere tijd kon doorkruisen. In een deel van de pers bestond interesse voor wat wij in dat toen nog raadselachtige land beleefd hadden. Het toen ook al populaire weekblad HUMO vroeg aan mij en mijn medereiziger, de sociale assistent Chille De Man, om ons verhaal te doen. Vijf weken lang mochten wij, met de redactionele hulp van journalist en advocaat Jos De Man, telkens over zes à acht pagina’s verslag uitbrengen over onze reis in China. De eerste aflevering (26 februari 1971) van de serie werd op de cover aangekondigd met de titel ‘HADIMAO-China, zelf gezien’. (3) Een kleurrijke compositie-collage van Evert Vermeulen, met daarin centraal een bekend officieel Mao-portret, maakte er een van die grappige voorpagina’s van die later een handelsmerk van HUMO zouden worden. Onze vijf China-artikels in HUMO, achteraf wat ‘in balans gebracht’ door interviews met de in 1949 uit China verbannen pater Scheutist Dries Van Coillie en de Chinaspecialist en toenmalige NAVO-legerkapitein Roger Andries, zijn tekenend voor de interesse die dat land en zijn regime begin van de jaren ’70 ook hier bij ons opwekten.

In 1979 ben ik nog eens twee weken in China geweest. Een delegatie van de nationale leiding van de PVDA werd toen voor het eerst officieel ontvangen door de Chinese Communistische Partij. Politieke gesprekken maakten de hoofdmoot uit van die reis en er waren minder contacten met de bevolking en haar dagelijkse leven. Ook was er in China nog niet zoveel veranderd in vergelijking met mijn bezoek negen jaar eerder. De communistische leider Deng Xiao Ping, een van de doelwitten van de Culturele Revolutie als zogenaamde ‘kapitalistische wegbereider’, was nog maar een paar jaar gerehabiliteerd. De belangrijke economische hervormingen die onder zijn impuls vanaf 1978 beslist werden, en die het huidige China gestalte gaven, stonden nog compleet in de kinderschoenen.

Slechts reisindrukken

Verschillende vrienden vroegen me een vergelijking te maken tussen het China van 1970 en 1979 en dat van nu zoals ik het op mijn recente reis zag. Zij weten welke rol China en de ideeën van Mao in het begin van mijn politieke leven gespeeld hebben, Hoe ervaart zo iemand de gigantische veranderingen die zich sindsdien in het ‘Rijk van het Midden’ hebben voorgedaan? Dat intrigeert hen wel. Voor hen doe ik het dus. Ik ga het wel houden bij de verschillen tussen wat ik in 1970 zag en hoe ik het land deze zomer terugvond, de reis van 1979 laat ik terzijde. Dat laat me ook toe om, voor het beschrijven van de verschillen tussen veertig jaar geleden en nu, telkens te vertrekken van een citaat uit ons toch wel wat bijzondere HUMO-relaas van toen.

Na het herlezen van dat relaas moet me eerst iets van het hart. Ja, we hebben daarin eerlijk weergegeven wat we in 1970 gezien en gehoord hadden. Maar in de duiding ervan stak een flink stuk idealisering en simplificering. Een kwaal die voor een deel te wijten was aan onze eigen kinderziekten van nog maar pas ontloken ‘marxisten’ maar ook aan het officiële propagandadiscours van tijdens de Culturele Revolutie. Veertig jaar later ben ik, zo hoop ik, niet alleen ouder maar ook wijzer geworden. Verwacht dus van mij in dit artikel geen formele politieke oordelen over de weg die China vandaag is ingeslagen. Zo iets is onmogelijk op basis van indrukken opgedaan tijdens een reis van enkele weken. Voor meer diepgaande gegevens en analyses verwijs ik naar bronnen en mensen die kunnen bogen op meer kennis en studie van China of op jarenlange ervaring in het land zelf. Zo is er het goed gedocumenteerde tijdschrift China Vandaag van de Vereniging België-China en haar interessante website. Verder zijn er de site en de publicaties van Chinaspecialist en auteur Peter Franssen. (4) Of die van Frank Willems en Lieve Dejonghe, de organisatoren en begeleiders van onze reis. Frank Willems is een bruggepensioneerde ingenieur van Glaverbel. In de voorbije 25 jaar was hij voor zijn werk tientallen malen in China. Recent woonde hij twee jaar in Shenyang hoofdstad van de noordelijke provincie Liaoning. Daar gaf hij als vrijwilliger lessen Engels en management aan de universiteit. Zijn vrouw, de kunstenares Lieve Dejonghe, schilderde er werken waarin ze steeds meer Chinese elementen verwerkte. Dat leverde haar een uitverkiezing op om met haar schilderijen een installatie te maken voor het paviljoen van België en de EU op de wereldtentoonstelling van Shanghai (mei tot oktober 2010).

De begeleiders van onze reis: Frank Willems en Lieve Dejonghe. Frank is gewezen ingenieur bij Glaverbel en Chinakenner, Lieve is fijnschilderes. Samen woonden ze recent 2 jaar in China. De schilderijen van Lieve werden uitgekozen voor een installatie in het paviljoen van België en de EU op de Expo in Shanghai. Foto Olivia Snykers.

Daarnaast zijn er massa’s degelijke en interessante boeken over het nieuwe China. Persoonlijk denk ik aan ‘Made in China’ met talrijke interviews met zowel Chinese bedrijfsleiders en vakbondsmensen maar ook Westerse zakenlui die al jarenlang in China actief zijn. (5) Of aan een boek als ‘Fabrieksmeisjes’. Geschreven door een Amerikaanse van Chinese oorsprong. (6) Ze keerde een tijdlang naar het vaderland van haar grootouders terug om er te werken als correspondente voor de Wall Street Journal. Ze is zeker geen sympathisante van het communisme. Maar ze is wel diep doorgedrongen in het dagelijkse leven en het niet altijd even verheven denken van twee van de miljoenen jonge Chinese vrouwen die zich als migranten-arbeidsters in de reuzenfabrieken van de Parelrivierdelta een beter leven proberen op te bouwen.

Voor grondiger info over China verwijs ik ook naar de officiële sites zoals de on-line-edities van People’s Daily en China Daily maar ook naar die van de Chinese Communistische Partij. Het valt me op hoe zij, in tegenstelling tot vroeger, veel opener spreken en debatteren over de scheefgroeiingen, wantoestanden en regelrechte schandalen waarmee de huidige koers in China ook gepaard gaat. Onlangs ontdekte ik tot mijn verwondering op de site van de Chinese CP zelfs een positief artikel over het boeddhisme. Die religie, aldus het partijorgaan, kan sommige mensen helpen om geestelijke rust te vinden in een tijd waar grote veranderingen zorgen voor ideologische leegte en verwarring. (7) Aan bezinning en zelfkritiek over de talrijke problemen ontbreekt het in het huidige China inderdaad niet, vooral niet bij politici en beleidsverantwoordelijken. Soms legden ze het er, naar mijn zin, wat te dik op. Zo kregen we een hele uiteenzetting over de situatie op het platteland met een opsomming van ‘problems, problems’. Zo erg dat je op de duur nog zou vergeten dat het boereninkomen sinds 1978 vaak meer dan vertienvoudigd is en de productiviteit van de graanbouw verviervoudigd. Toch niet meteen details.
Maar genoeg ingeleid nu. Tijd om zelf uit mijn kot te komen met mijn beloofde impressionistische vergelijking China 1970 versus China 2010.

Ondanks de daling van het aantal boeren steeg de productiviteit van de landbouw sterk. Strikte regels voor bestemming van de grond helpen daarbij. Wel plaats voor - vaak grote - boerenhuizen maar erachter elke vierkante meter voor culturen. Foto Eddy Hauman.

Wie is er anno 2010 nog ‘gewoon’ boer?

1970, oktober.
“We landen op de luchthaven van Kanton (Guangzhou) tussen de maïsvelden. Dit is een land van 600 miljoen boeren: elk lapje grond wordt intensief bewerkt, ook op een vliegveld. In de velden één wemeling van mensen in witte, blauwe, rode, bonte hemden onder grote strooien zonnehoeden. De landbouw in het wijdste land ter wereld gebeurt intensief.” (Humo, 1971)(8)

Veertig jaar geleden stond het platteland centraal in onze reis. Ik heb toen ook wel een paar fabrieken bezocht, ondermeer een staalfabriek in Wuhan dat nog in de steigers was gezet met hulp van de Sovjetunie. Maar de meeste bezoeken die we aflegden gebeurden op het platteland. De landbouw kreeg de hoofdaandacht in het beleid en in de propaganda. Het was al boeren wat de klok sloeg. Zij maakten toen ook nog 80% uit van de bevolking en waren, zoals bekend, de oogappels van voorzitter Mao.

2010
Vandaag is nog slechts 55% van de bevolking geregistreerd als ‘boer’ of plattelandsbewoner en 45% als stedeling. A rato van 1% meer stedelingen per jaar stevenen we trouwens bliksemsnel af op een verhouding 50/50. Bovendien gaat het hier om administratieve cijfers die helemaal niet meer de sociologische realiteit weerspiegelen. Een groot deel van de ‘boeren’ (‘rurals’ in het Engels) werkt al lang niet meer op het veld. Ze verdienen de kost als migrantenarbeiders op de bouwwerven en in de fabrieken in grote en kleinere steden. Officieel bedraagt het aantal migrantenarbeiders in China 150 miljoen. Die behouden, zolang ze geen toelating kregen zich definitief in de stad te vestigen, hun statuut van ‘boer’. Dat geeft nadelen. Zo kunnen hun kinderen vaak nog niet naar de gratis lagere scholen in de stad gaan – hoewel men ook dat in verschillende streken aan een snel tempo begint te corrigeren. Maar het rurale statuut heeft ook voordelen. In 2003 en 2006 werden voor de boeren alle belastingen afgeschaft die met de boerenstiel as such te maken hebben – en dat kan nogal ruim geïnterpreteerd worden.

Toch nog enkele boeren op veld ten zuiden van Hangzhou. Met verhuur van kamers in hun grote huizen verdienen ze vaak meer. Foto Olivia Snykers.

Zoveel boeren samen op het veld, nog gewoon in 1970. Een van de toen populaire 'peasant paintings'.

Hoe dan ook in 1970 heb ik urenlang en gedurende honderden kilometers van op de trein – binnenlandse vluchten waren toen nog zeldzaam – door het venster zitten turen. Van ’s ochtends vroeg zag ik toen overal boeren die, vaak met tientallen of zelfs meer, over de rijstvelden gebogen stonden. Of die aan het ploegen, het zaaien of het oogsten waren of irrigatiewerken uitvoerden. Dit jaar voelde het dan ook vreemd aan dat ik nog slechts sporadisch boeren op het veld zag werken. Een groep van tien boeren op een akker, dat is een uitzondering geworden. Mogelijks is het in streken die wij niet bezochten nog anders. Maar op onze reis hebben wij toch verschillende provincies doorkruist: van de hoofdstad Beijing naar de centraal gelegen provincie Shaanxi (met als hoofdstad Xi’an), vandaar verder naar de steden Luoyang en Zhengzhou in de provincie Henan, vervolgens naar de grootstad Hangzhou in de meer zuidelijke kustprovincie Zheiang en vandaar naar de 200 kilometer hoger gelegen stadsregio Shanghai. Op die duizenden kilometers doorheen plattelandstreken, met de trein of de bus, meestal langs brede autowegen, heb ik iedere keer opnieuw gedacht: hoe weinig boeren zie je nog op de akkers. Wat we wel in overvloed zagen op onze tochten doorheen het platteland waren mensen die huizen bouwden. Vaak heel grote, met 100 of meer m2 oppervlakte. In de ‘boerendorpen’ aan de Oostkust, zoals onder Hangzhou, waren de huizen vaak nog groter met een tweede of derde verdieping. We vernamen dat de boeren daar vaak kamers verhuren aan migrantenarbeiders. Wat hen een inkomen bezorgt dat veel hoger is dan wat zij zelf nog in de landbouw of in de fabriek verdienen. Soms ontvangen de boeren ook nog een aandeel in de winsten van de gemeentelijke of privé-coöperatieven waarin ze participeren. Die coöperatieven verpachten het gebruiksrecht dat de boeren bezitten over hun lapjes grond, die zij na de ontbinding van de communes terugkregen, aan bedrijven. Die mogen daar dan bedrijven op zetten en staan in ruil een deel van hun winsten af. Gevolg: in dergelijke streken trekken heel wat boeren een inkomen dat ruim hoger is dan het stedelijke gemiddelde. Ze zijn meer renteniers geworden dan landbouwer of arbeider. (9) Over de ingewikkelde situatie op het platteland, vooral dan inzake eigendomsstructuren, zal ik het verder nog hebben.

Vastgelopen in file op autostrade wisselen we met plattelandsmeisjes onderweg voor horeca-opleiding Europese en Chinese dansjes en liederen uit. Foto Olivia Snykers

Verbroedering op de autostrade met meisjes in horeca-opleiding.Foto Olivia S.

Geïmproviseerd autostradeballet voor Belgische lotgenoten in de file. Foto Olivia Snykers

Ondertussen kan ik alleen maar zeggen dat onze reis, die officieel tot doel had vooral de toestand van de boeren te bestuderen, ons ook op het platteland meer in bedrijven en bedrijfjes heeft gebracht dan op boerderijen. We zagen meer plattelandsbewoners die arbeider geworden waren, of uitbaters van hotelletjes, pensions of restaurants, dan de al dan niet met slijk bevuilde en door de zon getaande traditionele boeren die we voor ogen hadden. Ook in de hotels zagen we een pak personeelsleden afkomstig van het platteland. Toen we op de autostrade naar Xi’an stil stonden door een verkeersongeval bleek in de bus achter ons in de file een groep meisjes te zitten die op weg waren voor een horeca-opleiding. (We hebben overigens de tijd gedood door op het asfalt te verzusteren en te verbroederen en voor mekaar wat Europese en Chinese liedjes en dansjes op te voeren.) Nu, als je in de hotels die meisjes ziet rondlopen met een kraaknet uniformpje en hoge hakken dan kan ik me inbeelden dat die niet zo graag meer op het veld gaan werken onder een loden zon en een vochtigheidsgraad van rond de 85 procent.

Onder Hangzhou. Een enkele (migrante?-)boerin om de theestruiken te besproeien. Foto Eddy Hauman

Rechtover de theeplantages bouwden de boeren 'guesthouses' en...

...leggen de 'boeren' zich nu toe op verkoop van thee.

Het is een boutade en dus overdreven, maar volgende anekdote geeft wel een gevoel weer dat we vrij algemeen hadden. Het programma van onze reis was in mekaar gestoken door de NGO Gong He, wat ‘samenwerken’ betekent. Ze legt zich toe op het bevorderen van echte coöperatieven in plattelandsstreken (sommige coöperatieven zijn namelijk ook vermomde privé-bedrijven). Toen we, op het einde van de reis, een debriefing hadden met de verantwoordelijken van Gong He, vroeg een van ons aan hen: ‘En is het misschien mogelijk om nog eens een echte boer te zien? Een die alleen maar op de akker of in de stallen werkt?’ De mensen van Gong He moesten er hartelijk mee lachen.

Michael Crook en prof. Du Yingtang van de Chinese NGO Gong He (bevordering van landbouwcoöperatieven) lachen bij onze vraag: 'Kunnen we nog eens een echte boer zien?'

Volgende aflevering (deel 2): Wouden van hoogbouw en swingende vastgoedprijzen

Voetnoten:

(1) AMADA of Alle Macht aan de Arbeiders was de voorloper van de huidige PVDA, de Partij van de Arbeid van België.
(2) Zie Dokter van het Volk, Kris Merckx, EPO Berchem 2008, hoofdstuk 1.
(3) HADIMAO is een woordspeling op het toen succesvolle Nederlandse programma ‘Hadimassa’ van Kees Van Kooten en Wim De Bie.
(4) Peter Franssen, Welke weg slaat China in? De ontwikkeling van het socialisme in China, Marxistische Studies nr. 78, 2007
(5) Ng Sauw Tjhoi en Marc Vandepitte, Made in China, EPO, Berchem, 2006
(6) Leslie T. Chang, Fabrieksmeisjes, Artemis en Co, 2009.
(7) China Highlights Role of Buddhism in Promoting Social Harmony.
(8) HADIMAO-CHINA, zelf gezien, Humo nrs 1590 to 1596, 26 februari tot 8 april 1971.
(9) Jan Jonckheere, Stadsdorpen, thuis voor migranten, China Vandaag, april 2010.

Advertenties

11 reacties »

  1. Erna said

    Hello Kris,

    Kan me best voorstellen dat na al die tijd China veranderd is, China is een grootmacht en als ik de evolutie zie dan heb ik soms angst dat het grote China wel eens te machtig zou kunnen worden in Europa en andere werelddelen.
    Lieve groetjes van Erna in Bali.

  2. […] Vorige aflevering, klik op: Deel 1: Waarom onze HADIMAO-serie in HUMO van 1971 heropdiepen? En wie is er nu nog boer in China? […]

  3. […] Deel 1: Waarom onze HADIMAO-serie in HUMO van 1971 heropdiepen? En wie is er nu nog boer in China? […]

  4. […] spelen als model? Het  essay verschijnt in korte afleveringen, en met heel wat foto’s, op de blog van Kris Merckx . Op deze site is de volledige tekst  nu reeds te lezen. Stem of voeg toe aan […]

  5. […] Deel 1: Waarom onze HADIMAO-serie in HUMO van 1971 heropdiepen? En wie is er nu nog boer in China? […]

  6. […] Deel 1: Waarom onze HADIMAO-serie in HUMO van 1971 heropdiepen? En wie is er nu nog boer in China? […]

  7. […] Deel 1: Waarom onze HADIMAO-serie in HUMO van 1971 heropdiepen? En wie is er nu nog boer in China? […]

  8. […] Deel 1: Waarom onze HADIMAO-serie in HUMO van 1971 heropdiepen? En wie is er nu nog boer in China? […]

  9. […] Deel 1: Waarom onze HADIMAO-serie in HUMO van 1971 heropdiepen? En wie is er nu nog boer in China? […]

  10. […] Deel 1: Waarom onze HADIMAO-serie in HUMO van 1971 heropdiepen? En wie is er nu nog boer in China? […]

  11. […] Deel 1: Waarom onze HADIMAO-serie in HUMO van 1971 heropdiepen? En wie is er nu nog boer in China? […]

RSS feed for comments on this post · TrackBack URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: